Borgen en steenhuizen

Borgen en steenhuizen

Borgverhalen

De dappere meid van de ‘Gommelborg’, het rampzalige einde van ‘Stenhoesheerd’, de roofridder van een borg aan het Schildmeer: veel volksverhalen spelen zich af in of rond voorname huizen in onze provincie. De huizen in deze verhalen hebben meestal echt bestaan. In de 18e eeuw zijn er in de huidige provincie Groningen een kleine honderd borgen en landhuizen. Slechts een klein deel van die weelde is bewaard gebleven.

 

Borgen en steenhuizen

Borg Scheltkema Nijenstein in Zandeweer, afgebroken in 1811, afbeelding van anonieme schilder, 17e eeuw, collectie Groninger Museum

Baksteen

Rond 1200 na Christus leren monniken de Groningers iets belangrijks: de klei die de zee heeft achtergelaten op het land, kan gebruikt worden voor het bakken van stenen (‘kloostermoppen’, ‘bakstenen’). Dit is een grote vooruitgang, want nu zijn de Groningers voor de bouw van huizen niet langer afhankelijk van duur natuursteen, dat van ver aangevoerd moet worden. Met het gebruik van de rode baksteen (rood door het ijzer dat in de klei zit) verandert de aanblik van het Groninger land.

Tot de dertiende eeuw zijn de meeste huizen in Groningen nog van hout. De huizen zijn kwetsbaar voor vijanden, omdat ze in brand gestoken kunnen worden. Huizen gemaakt van baksteen zijn wat dat betreft veel veiliger. Rijke boeren laten daarom sterke ‘steenhuizen’ bouwen: huizen met muren van wel een meter dik en een toegang op de eerste verdieping. Steenhuizen zijn van oorsprong geen woonhuizen, maar schuilplaatsen. Bij gevaar vlucht de boer met zijn gezin en andere omwonenden naar het steenhuis. Als de laatste vluchteling binnen is, wordt de ladder omhooggehaald en hebben aanvallers minder kans. Helemaal veilig zijn de mensen in het steenhuis niet, want – ook al hebben de steenhuizen een waterput en een flinke voedselvoorraad – bij een lange belegering ligt honger op de loer.

 

<p>Detail van de borgenkaart van Theodorus Beckeringh,1781, collectie Groninger Museum</p>

Detail van de borgenkaart van Theodorus Beckeringh,1781, collectie Groninger Museum

Borgen

Een aantal steenhuizen groeit in latere eeuwen uit tot ‘borg’, bijvoorbeeld de Fraeylemaborg, Menkemaborg en borg Verhildersum. In deze borgen zijn nog elementen van het oorspronkelijke steenhuis te herkennen.

De borgen zijn woonplaatsen voor ‘hoofdelingen’, rijke boeren die verantwoordelijk zijn voor de verdediging van de streek en allerlei extra rechten hebben: ze mogen rechtspreken en hebben bijvoorbeeld zeggenschap over benoemingen in de kerk. ‘Hoofdelingen’ gebruiken de titel ‘jonker’, maar vaak zijn ze niet echt van adel. Desondanks gaat het om machtige families, die onderling veel rivaliteit kennen. Voortdurend is er strijd om invloed en aanzien.

Na verloop van tijd verliezen de borgen en steenhuizen hun verdedigende functie. In de 19de eeuw worden het veelal buitenverblijven voor welgestelde families uit de stad. De eigenaren maken er kleine paleisjes van.

De rijkdom en macht van de borgheren en hun families spreken tot de verbeelding. Dat blijkt uit veel Groningse volksverhalen. Maar in veel verhalen is het uiteindelijk de ‘gewone’ man of vrouw die uitgroeit tot de echte held: zoals de meid van de Gommelborg, die in haar eentje op een heel slimme en dappere manier de borg weet te behoeden tegen een gewapende aanval.

Meer informatie over borgen en steenhuizen: www.borgeningroningen.nl  en De atlas van Beckeringh. Het Groninger landschap in de 18e eeuw, Reinder Reinders e.a. (WBOOKS, Zwolle 2016)